stamboom LAMPE

 

 

 

VELEN VAN HEN WAREN IMMIGRANTEN

1. Duitse immigranten en seizoenwerkers

Herman Lampe
Herman Lampe ging naar Nederland om daar als smidsknecht te werken. Hij was niet de enige Duitse immigrant. Vanaf de 16de eeuw kwamen ieder jaar in de zaai- en oogsttijd duizenden inwoners van het huidige Niedersachsen en Westfalen naar Holland. Deze seizoenarbeiders die geld wilden of moesten verdienen, hebben Holland in die tijd tot grote rijkdom gebracht. Soms zochten zij het avontuur in het welbekende vrije Holland. Zij verdienden in de goede jaren in ongeveer 10 weken van noeste arbeid meer dan zij in de resterende tijd van het jaar in eigen land konden verdienen. Behalve Hollandgangers die in het boerenbedrijf werkten, waren er ook andere beroepsgroepen, zoals dijk- en kanaalbouwers, dienstboden, tuin- en bosbouwers, ketellappers, geestelijken, zeisenmakers, scharenslijpers, kleermakers, smeden, stucadoors, pottenbakkers, turfwerkers, walvis- en robbenvangers, tegelzetters, dakdekkers, timmerlieden en suikerfabriekarbeiders. Vaak ook vonden zij er een vrouw en bleven zij in Holland, getuige de vele vaak vernederlandste Duitse achternamen.

Van marskramer tot winkelconcern
‘Kiepkerels’ waren Duitse marskramers die hun naam ontleenden aan de kiep op hun rug: een grote mand met koopwaar. Sommige kiepkerels vervoerden hun koopwaar in ladekastjes op hun rug. Ze liepen stad en land af met stoffen, band en garen.

De namen van sommigen van hen zijn later in Nederland een begrip geworden. Zo opende Bernhard Voss in 1797 een winkel in Bolsward. Benedictus Lampe (van modehuis Lampe), in 1834 begonnen in Sneek, huwde zijn dochters uit aan de broers Clemens en August Brenninkmeijer (van kledingconcern C&A) die zich in 1841 eveneens in Sneek hadden gevestigd. Clemens Brenninkmeijer verkocht niet alleen textiel maar ook postzegels. Op twee zegels van vijf cent gaf hij één cent korting, want ‘Clemens ist immer billiger’.

Andere Duitse grondleggers van Nederlandse grootwinkelbedrijven waren Anton Dreesmann (die in 1881 met Willem Vroom te Amsterdam V&D begon) en Johann Theodor Peek, omstreeks 1880 oprichter van Peek & Cloppenburg in Den Haag.

Hannekemaaiers uit Nedersaksen en Westfalen
De trekarbeiders die elk jaar uit Nedersaksen en Westfalen naar Nederland kwamen, waren keuterboeren die in eigen land amper hun brood konden verdienen. Tussen de 17de en het begin van de 19de eeuw groeide hun aantal tot zo'n 30.000 per jaar. Eind 19de eeuw bleven ze weg door de toenemende welvaart in het industrialiserende Duitsland. Ze reisden meestal te voet, in groepen die onderweg almaar groter werden. Ze waren bepakt met gereedschap en grote hoeveelheden spek en gerookt varkensvlees, omdat dat goedkoper was dan kopen in Nederland. Een deel van hen kwam per schip naar Amsterdam en meerde af bij de Oude Brug, die in de volksmond de moffenbeurs werd genoemd. Daarna gingen ze in Noord-Holland grasmaaien of in Zuid-Holland veen baggeren.

Ze zijn in talloze kluchten afgeschilderd als dom, vies en gierig en als opscheppers die zich beter voordeden dan ze waren, in de hoop een Nederlandse vrouw aan de haak te slaan.
Dat moet velen zijn gelukt, want alleen al tussen 1815 en 1850 hebben zich ongeveer 140.000 van deze trekarbeiders blijvend in Nederland gevestigd.
De Hollandgänger werden ook wel ‘hannekemaaiers’ genoemd, een samentrekking van Hanne, verkleinvorm van de voornaam Johann, en het woord maaier. Minder gebruikte bijnamen waren ‘pikmaaiers’ (maaiers met een korte zeis) en ‘poepen’. De laatste bijnaam ontstond doordat ze elkaar vaak aanspraken met Bube: Duits voor jongen of kerel.

Uit: http://www.20eeuwennederland.nl/themas/vreemdelingen/immigreren

 

2. Godsdienstvluchtelingen

Onder onze voorouders zijn behalve Duitsers (Lampe: van Wildenhausen, van der Schildt: uit Herford, Lamfermans: uit Bremen), ook Engelse emigranten gevonden, George Taylor (presbyter.), kousenmaker uit Londen, en Boubay uit Londen.
Van de Waalse kerk zijn families Van der Deijster, de Nimaij, Boubaij. Het lijkt erop dat zij gevluchte Waalse of Franse Hugenoten zijn. 

2.1 Hugenoten

Aan het eind van de 17de eeuw werden de hugenoten, de Franse protestanten, in Frankrijk met geweld gedwongen zich tot het katholicisme te bekeren. Ondanks een verbod Frankrijk te verlaten, ontvluchtten veel hugenoten het land. Zo’n 12.000 hugenoten vluchtten naar Amsterdam. Dat betekende dat rond 1700 een kwart van de Amsterdammers Frans was. Er waren dan ook Franse buurten en kroegen, en een Franse kerk in Amsterdam.
Veel hugenoten trokken naar de Nederlanden, omdat ze daar met hun calvinistische geloof de meeste aansluiting vonden. In Amsterdam bestond al een franstalige protestantse kerk, de Waalse kerk. Die was aan het eind van de 16de eeuw gesticht, toen protestanten uit de Zuidelijke Nederlanden op de vlucht voor de Spaanse bezetter naar Amsterdam waren gekomen.

Waalse Kerk (vanaf begin 15de eeuw)


Gevel aan het
Walenpleintje

De Waalse Kerk is de vroegere kapel van het klooster der Paulusbroeders. Het klooster van de Paulusbroeders werd in 1409 gesticht op het terrein achter de Oudezijds Achterburgwal, ongeveer ter hoogte van de huidige Oude Hoogstraat. De kapel werd in 1496 ingewijd. Na de Alteratie van 1578 werd het klooster door het stadsbestuur geconfisqueerd, waarna de kloosterkapel dienst deed als opslagplaats en proveniershuis (liefdadig gesticht). In 1586 kreeg de Waals-hervormde gemeente toestemming om in de kloosterkapel Franstalige kerkdiensten te houden. De kapel werd toen omgedoopt in "Walenkerck" of Waalse Kerk.
In 1616 werd aan de noordkant van het voormalige kloosterrein tussen de woonhuizen aan de Oude Hoogstraat een poortje gebouwd door Hendrick de Keyser. Het poortje is versierd met doodshoofden, een verwijzing naar de uitvaarten die aan deze zijde van de Waalse Kerk plaatsvonden.

De Waals-hervormde gemeente bestond uit Franstalige gereformeerden ("Hugenoten") die uit angst voor de Katholieke repressie de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk waren ontvlucht en in Amsterdam een goed heenkomen hadden gezocht. De kloosterkapel bestond slechts uit een middenbeuk en een noordelijke zijbeuk en was spoedig te klein om de groeiende gemeente te herbergen.

In 1661 werd de kerk met een een zuidelijke zijbeuk uitgebreid, waardoor de Waalse Kerk haar huidige vorm kreeg: een driebeukige kerk, overkapt met houten tongewelven en ondersteund door ronde zuilen met achthoekige kapitelen (waarvan het bladwerk later is verwijderd). De vormen van de nieuwe zijbeuk werden consciëntieus aan de Middeleeuwse kerk, in gotische stijl, aangepast. Het classicistische poortje aan het Walenpleintje stamt uit 1647.
De kerk werd in 1885 verbouwd, waarbij de gevel aan het Walenpleintje werd vernieuwd, in neo-renaissance. Deze nieuwe gevel kwam niet in de plaats van de oude, maar werd tegen de oude gevel aangemetseld.

foto's: www.bma.nl

Boekenstad
Amsterdam groeide in de 17de eeuw uit tot het centrum van het internationale boekenbedrijf. Drukkers leverden er goed werk tegen scherpe prijzen. Bovendien hadden boeken hier weinig te vrezen van overheidscensuur. In Amsterdam werden boeken uitgegeven die in andere landen verboden waren. Vaklieden uit heel Europa trokken daarom naar Amsterdam.
Uit gildenboeken blijkt dat Jacob van der Deijster (zie hoofdstuk 6.4) een boekverkoper was.

 

2.2 Pilgrim fathers

Amsterdam
Amsterdam en Leiden staan bekend als vluchtelingensteden. In het begin van de zeventiende eeuw werden de Engelse Calvinisten door Koningin Elisabeth en vooral haar opvolger Jacobus I vervolgd, het ergst zij die zich van de Anglicaanse staatskerk wilden afscheiden (Separatisten). Door te vluchten naar Holland hoopten zij te kunnen genieten van de relatieve godsdienstvrijheid.


Engelse Kerk

In 1608 lukte het een groep Engelse Separatisten uit Nottinghamshire het land te verlaten. Zij werden door een Hollandse schipper buitengaats opgepikt aan de Engelse kust. De achterblijvers kregen, na verblijf in het gevang, toestemming van de Engelse overheid om ook naar Holland te vertrekken. In 1608 arriveerden zij in Amsterdam. (blijkbaar ook de ouders van George Taylor (zie de pagina >>).
In Amsterdam bestaan ook een Engelse of Presbyteriaanse kerk. Deze staat op het Begijnhof, tussen de Nieuwezijds Voorburgwal en het Spui. Het Begijnhof was de enige katholieke instelling die na de Alteratie van 1578 bleef bestaan. Wel moest de kapel in 1607 aan de Engelse presbyterianen worden afgestaan. Sindsdien heet de kapel de Engelse Kerk.
Zie ook http://www.begijnhofamsterdam.nl/                                                                          

                  
Leiden
Velen van hen verruilden in 1609 Amsterdam voor Leiden, de tweede stad van Holland, waar bovendien een beroemde universiteit was gevestigd.
Ds. John Robinson en ongeveer 100 anderen dienden een schriftelijk verzoek tot vestiging in bij het Leidse stadsbestuur. Hoewel toestemming tot vestiging niet nodig was, werd dit request beantwoord met een schrijven van 12 februari 1609, waarin de volgende veelzeggende bewoordingen: "Geen eerlicke persoonen weygeren vrije ende lybre incompst omme binnen deze stede...haer woonplaets te nemen".
Een deel van deze vluchtelingen emigreerde tussen 1620 en 1629 naar Noord-Amerika, als pelgrims. Daar worden de Pilgrims nu beschouwd als de "Founding Fathers" van de Verenigde Staten. Sommige Amerikaanse presidenten stammen regelrecht van hen af.
Zij emigreerden uit Leiden naar Noord-Amerika om uiteenlopende redenen. De één vertrok omdat toen ook in Nederland de godsdienstvrijheid beperkt dreigde te worden en de oorlogsdreiging toenam omdat het Twaalfjarig Bestand met Spanje afliep, de ander besloot de overtocht te wagen uit angst voor aanpassing van hun nakomelingen aan minder strenge normen. Ook was het maar zeer de vraag of in Leiden de vooruitzichten voor voldoende materiële welvaart gunstig waren.
In Leiden woonden naast de Pilgrims ook gevluchte Hugenoten. Zij stonden bekend als textielwerkers en boekdrukkers. Families als van der Deijst, de Put/Puijt, Boubaij, namen van onze voorouders, zijn daar in het archief te vinden.


Leidse beroepen:

Greinwerker
Grein: sterke stof, oorspronkelijk geweven uit geiten- of kameelhaar en later ook uit wol en zijde .

Kaardemaker
Hij was de vervaardiger van de kaardeplanken, door het vastzetten en inbinden van de zaaddozen van de kaardedistel op een houten frame konden de schubben van de distel gebruikt worden voor het uittrekken van wolvezels.

Reder
Kapitaalkrachtige textielondernemer, doorgaans gespecialiseerd in de produktie van één stof.
Bijv. Lintreder (textielondernemer gespecialiseerd in linten).

Wolkaarder
Kaarden: ruwen en reinigen van de wolvezels.

Boratwerker, bouratwerker
Bourat: weefsel van zijde en wol, werd voor allerlei kledingstukken gebruikt, vooral voor kousen, maar ook voor mantels.

Uit: Digitaal archief Leiden  http://www.leidenarchief.nl  en  http://www.hollebeek.nl/family/ldnberoep.html


Adressen van voorouders in Leiden:
Hogelantsche Kercstraet :  Salomon & Jacob van der Deijster, 1633
Hogelantsche Kerckgraft :  Guilliaume van der Deijster, 1634
Hogelantsche Kerck. Noordzyde : Guilliaume’s vrouw Clara Ravens, 1634
Middelwech : Susanna van Peenen, weduwe van Jacob van der Deijster, 1668
St Jacobsgraft : 2de echtgenoot van Susanne van Peenen, Tobyas de Witte.
Beestemarct: Nicolaii Boubai, 1641  boratwerker.

 


Leiden 1640